dinsdag 13 mei 2008

Indonesië: Kawa Ijen

Lovina Beach (Hotel Rini)

Een kwartier voordat de wekker, om half zes, afliep werd er op de deur geklopt. Ik had redelijk goed geslapen en was meteen aan de deurklink. Toen ik de deur opende klonk het door een smalle kier.
'Goodmorning Misterrrrrr, not forget my tip?', het was onze chauffeur.
Ik sloeg de deur snel weer dicht en keek Tettje, die ook al rechtop in zijn bed zat, het slaapzand uit zijn ogen wrijvend, verbaasd aan.
'Ik wil alles met je verwedden dat de gekookte eieren die we straks bij het ontbijt geserveerd krijgen, hardgekookte koude eieren zijn!', borrelde spontaan uit mijn gedachten op en nu keek Tettje op zijn beurt mij verbaasd aan.
Het duurde even dat het tot hem doordrong waar ik het over had. We hoefden niet al teveel in onze rugzakken te pakken en we maakten van dat korte moment dat tot onze beschikking stond gebruik om twee kopjes instant koffie te maken. Dat pakken ze ons in ieder geval niet meer af! Tettje verbaasde zich en piekerde nog steeds over mijn voorspelling van het ontbijt dat we waarschijnlijk geserveerd zouden krijgen. Het is allemaal bekend terrein voor me en ik weet hoe deze mensen denken. De eerste indrukken in een situatie zijn altijd heel belangrijk en krijgen vaak een vervolg. Goede indrukken krijgen heel vaak een vervolg, zo ook slechte indrukken.

De bus, inclusief de glimlachende en opnieuw om een goede fooi vragende chauffeur, stond al voor de deur van de slaapvertrekken op ons te wachten. De rugzakken gingen weer naar de middenbank en wij struinden door het met dauw bedekte gras naar het ongezellige restaurant. Het is best fris op deze hoogte zo vroeg in de ochtend!
Eenmaal op het buitenterras gezeten werden al mijn voorspellingen bewaarheid. Per kamer staat er een bord met, in ons geval zes kleine witte harde droge boterhammen, overtrokken met cellofaam, klaar. Een kleine goedlachse Javaan, die we gisteren niet hadden gezien, leidt ons onvriendelijk en bijna hardhandig naar de gereedstaande tafel. Er is geen ruimte om van tafel te wisselen want dan komt heel het schema in de war! Een treurig schoteltje met chocolade hagelslag of een vreemde roodkleurige substantie, die op soldeerpasta leek, en voor aardbeienjam moest doorgaan staan in het midden op de tafel op ins te wachten. Zelfs de altijd rijkelijk aanwezige insecten in de tropen laten deze lekkernijen links liggen. De eieren zijn treurig koud, precies zoals ik voorspeld heb en combineren niet erg best met de lauwe slappe thee en harde oude boterhammen. We zijn blij dat we de Arabika Homestay na een nacht kunnen verlaten en op weg gaan naar het tweede hoogtepunt van onze reis.
Met slechts een beetje brandstof in mijn maag voor de beklimming naar de krater van de Kawa Ijen stappen we in het busje waar de Belgen, ook zichtbaar teleurgesteld over het ontbijt, al op ons zitten te wachten. Binnen enkele minuten wordt de wereld voor ons veel kleiner door het beslaan van de ramen in de bus. Het vocht uit de adem van de zes passagiers plus de bestuurder van het busje condenseert op het koude glas van de ruiten. De chauffeur begint nerveus met een vettige lap katoen kleine cirkels op de ruit voor hem te maken om zo een kijkgaatje voor hem alleen te forceren. Tevergeefs! Hij kijkt me verontschuldigend aan en ik probeer hem met mijn ogen naar de de verwarmingshendels op het dashboard te leiden.
‘Auto’s in Indonesië hebben geen verwarming!’, lacht hij me toe, hij maakt dit waarschijnlijk wel vaker mee.
Ik ben verbaasd dat hij niet van het moment gebruik maakt om weer over zijn fooi te beginnen. Geen verwarming in de auto? Ik weet het, het klinkt gek maar wel logisch. Wat moet een auto in de tropen met een verwarming? Ik open het zijraam aan mijn kant om de koude lucht binnen te laten en de warme vochtige lucht naar buiten te dringen. Onze chauffeur is onder het rijden nog steeds druk bezig om met die oude vette katoenen boendoek de ramen zo doorzichtig mogelijk te houden. Met in zijn ene hand de boendoek, afgewisseld door een sigaret, en in zijn andere hand het stuurwiel rijden we langzaam en in alle stilte over de koffieplantage richting het startpunt van onze trek naar het kratermeer van Kawah Ijen.
De ramen van het busje worden langzaam weer transparant en met elke meter die we dalen wordt de buitenlucht warmer. De weg naar het startpunt van de trek naar de krater van de Kawa Ijen is geen gemakkelijke! Het eerste stuk over de plantage is een drama, het tweede deel over de openbare weg is niet veel beter. Indonesië is een land rijk aan grondstoffen maar de corrupte regeringen gebruiken het geld liever voor zichzelf dan voor het verbeteren van de infrastructuur. Na een onoverzichtelijke bocht, met veel te hoge snelheid, moet de chauffeur plotseling met veel kracht op de remmen. Zonder enige waarschuwing vliegen de passagiers door het kleine busje.

De chauffeur kijkt verontschuldigend over zijn schouder, ‘Een klein probleempje!’
Voor een moment schiet er door mijn hoofd dat we het slachtoffer zijn geworden van een geplande roofoverval. Er ligt een omgevallen, of omgehakte, boom over de weg. Aan de andere van de omgevallen boom kant staat een auto stil. Twee kleine Javanen doen hun best om de boom te verplaatsen. Tevergeefs, dus is onze verschijning voor hun een geschenk uit de hemel. Zes grote sterke Europeanen hebben de klus zo geklaard en kan iedereen zijn weg weer vervolgen.
Daar staan we dan op de parkeerplaats vanwaar de trek naar het kratermeer begint. 15.000 Rupiah entree, het wachthuisje met daarin de kassa gevestigd is, èn blijft, gesloten. Met onze jassen aan en voldoende water beginnen Tettje en ik meteen aan de beklimming naar de kraterrand van de Kawa Ijen. Wachten om je geld kwijt te kunnen heeft geen zin. Het duurt niet lang of Tettje heeft zijn eerste vijf minuten rust nodig. Hij is overmand door twijfel. Hij twijfelt of hij de trek naar 2380 meter hoogte wel aan kan. Zo’n trek zit voor het grootste gedeelte tussen je oren. Je moet je gedachten gewoon uitschakelen door jezelf, met behulp van het monotone stappen, in een trance te brengen. De rest gaat dan vanzelf. Al coachend en positief denkend neem ik hem mee richting de top. De zes Belgische jongens halen ons al snel in en Tettje volgt bedenkend hun soepele tred totdat ze uit het oog zijn verdwenen. Hij twijfelt zichtbaar en kijkt naar het pad voor ons omhoog. Hij vraagt zich af of hij het wel zal halen.
'Ik haal het wel maar op mijn eigen tempo!', klinkt het geruststellend uit zijn mond.
'Oké, doe maar rustig aan, we halen het wel', antwoord ik op mijn beurt.

We slepen onszelf met een gestadige, maar niet al te snelle pas naar boven. We stoppen wanneer het nodig is en nemen uitgebreid de tijd om te rusten en te drinken. Het is niet druk hier maar we worden desondanks toch enkele malen ingehaald door wandelaars die soms zelfs duidelijk ouder zijn dan wij. Dat zet ons aan het denken! Zijn wij dan niet fit? De inhaalbeweging van een ouder stel gestoken in kleurige trainingspakken werkt als een rode lap op een stier. De pauzes worden minder en de snelheid gaat omhoog. De zak roltabak blijft bij Tettje in zijn jaszak.

De eerste zwavelverzamelaars komen ons op het smalle pad tegemoet en zijn al met hun volle manden ruwe zwavel op weg naar beneden. Deze zwaveldragers gaan bij het verschijnen van de eerste zonnestralen het pad op omhoog om zo van elke seconde daglicht te kunnen profiteren. Ze verdienen voor Indonesische begrippen een stevig salaris. Maar het is zwaar werk! Ongezond werk zou ik het niet direct willen noemen want ze zien er allemaal topfit uit!
In verschillende reisgidsen hebben we gelezen dat de dragers er een hekel aan hebben om steeds te moeten stoppen om met de toeristen op de foto te gaan. Begrijpelijk wanneer je elke keer je wandeling, met een zware last op je schouder, moet onderbreken om te poseren met een rijke toerist. Ze vragen zonder ook maar een moment te twijfelen om contant geld, maar een sigaret slaan ze ook nooit af! Dus hebben wij in Surabaya twee pakjes kretek, sigaretten met kruidnagel aroma, gekocht om zo de zwaveldragers te kunnen belonen. Geld geven staat voor mij gelijk aan een bedelaar geld geven, en daar ben ik uit principe op tegen.
De grote brokken zwavel lijken, waarschijnlijk door zijn lichtgele kleur, vederlicht. De overvolle manden dagen je uit om het zelf eens te proberen. En ik kan jullie verzekeren dat ze zwaar zijn, gemiddeld zestig kilo, en soms zelfs meer dan tachtig kilo. Dat is bijna twee keer het gewicht van de drager!

Ik zet mijn schouder er onder en er gebeurt niets, de manden met de bamboesteel ertussen komen niet eens van de plaats. Nee serieus! Tettje staat me aan te kijken met een uitdrukking op zijn gezicht dat ik de zaak in de maling sta te nemen. Ik schud ontkennend met mijn hoofd en probeer het nog een keer. Nu met meer overtuiging dan de eerste keer en de manden komen weliswaar een beetje omhoog maar door het buigen van de bamboe drager verlaat de bodem van de manden de rotsen langs het pad nooit.

We klimmen en klimmen steeds hoger. De wolken komen langzaam dichterbij! Voordat we door de wolken heen gaan passeren we een weegstation. Hier gaan de manden van de schouders en worden gewogen. De dragers controleren het gewicht van hun manden. Er wordt niets opgeschreven? Dat is vreemd. Ik denk dat ze het gewicht voor zichzelf controleren om zo de motivatie voor de lange tocht naar beneden op te krikken. Het weegapparaat, een unster met een enorm contragewicht dat over een dikke ijzeren staaf wordt geschoven, verteld keer na keer de grote van de beloning die de drager onder aan het pad staat te wachten.
De periodes van wandelen tussen de ruststops worden, na de korte onderbreking bij het weegstation, steeds korter totdat we gezelschap krijgen van een oudere dame uit Zwitserland. Al pratend lopen we in een goed tempo naar boven en met Tettje in onze kielzog bereiken we sneller dan verwacht de kraterrand. Zelfs Tettje is er verbaasd over dat het laatste stuk vanzelf is gegaan en dat hij geen één keer heeft moeten te rusten.

Met open monden kijken we naar het lichtblauwe water in de dampende krater. Het is onmogelijk om te beschrijven hoe het is om in Indonesië op een actieve vulkaan te staan op ruim 2300 meter hoogte. Ver boven de wolken ben ik gewoon op de rotsen gaan zitten en heb geprobeerd om alles zo goed mogelijk in me op te nemen.

Het is nog vroeg maar tegelijk al te laat om naar de bodem, het kratermeer, af te dalen en met een gerust hart neem ik de raad van een passerende parkwachter aan. Ik weet namelijk zeker dat ik hier nog wel een keer zal terugkomen. De zon verwarmt mijn vermoeide lichaam terwijl ik geniet van het uitzicht. Een heel mooie beloning na een heerlijke inspanning.
De grootsheid en uitgestrektheid van deze natuurlijke fenomenen zijn onbevattelijk! Ver onder ons, vlak bij de oevers van het kratermeer, lijkt het dat er een mierenkolonie aan het werk is. Wij weten dat het mensen zijn, kleine sterke getaande Javanen, die mand na mand, dag in dag uit, jaar in jaar uit, het zwavel de krater uit en de vulkaan af slepen om hun dagelijks brood te verdienen.
De wolken beginnen zich weer op te bouwen en hoewel het nog erg vroeg is is het voor ons toch de hoogste tijd om aan de tocht naar beneden te beginnen. We werpen een laatste blik naar het lichtblauwe meer met zijn dampende krater en beginnen aan de tocht naar beneden. Tettje is duidelijk onder de indruk van de beloning na de vermoeiende klim. Het is nu eenmaal zo dat je een beetje moet lijden om deze mooie plaatsen te kunnen zien. De vulkanen van Indonesië zitten er voorlopig voor ons op en we zijn nu op weg naar Bali!

Tijdens de afdaling passeren we nog enkele groepen dragers met hun volle manden. Dat levert nog mooie plaatjes op!

Onder aan het pad aangekomen hangt de Indonesische vlag van het wachthuisje slap langs de mast. De wolken hebben ons bijna ingehaald en van de zon is er weinig meer te zien. Net als van het minibusje met onze rugzakken. Voor de tweede keer vandaag zie ik ons in een klein kantoortje van een politiebureau aangifte doen terwijl we hard worden uitgelachen door de diensthebbende agenten. Ben ik depressief?
Tettje stelt me gerust en wijst naar een zwaaiende parkwachter op de veranda van het wachthuisje. Dit is waarschijnlijk een van de weinige plaatsen waar je toegang moet betalen bij het verlaten van het park? Alsof de parkwachter onze onrust van onze gezichten kan aflezen verteld hij dat de chauffeur over een uurtje weer terug is.


Opgelucht gaan we de buurt verkennen en volgen enkele dragers naar hun doel. Om de hoek, achter een hoge aarden wal, zien we de andere kant van het pittoreske plaatje van de vulkaan met hun iconische zwaveldragers. Hier worden de zaken afgehandeld. Het zwavel gewogen en achter de naam van de drager wordt de hoeveelheid genoteerd. Niet ver van de weegschaal staat een grote container waar de zwavel in wordt opgeslagen totdat hij word afgevoerd.  De meeste dragers horen gelaten aan hoeveel ze van de berg af hebben gesjouwd en aan hun gelaatsuitdrukking valt af te lezen dat het meestal tegenvalt. Nog een sigaret en dan voor de laatste keer de berg op en neer om nog een lading zwavel te halen.
Ondertussen is het busje met onze bagage ook weer gearriveerd en de chauffeur herinnerd ons er direct aan dat we zijn fooi voor vanmiddag niet mogen vergeten. Het is voor hem zelfs geen probleem wanneer we hem nu al zijn fooi geven. De Belgen hebben het gesprek ook aangehoord en kijken ons verbaasd aan. Zonder een woord te zeggen nemen we onze plaatsen weer in en gaan op weg naar de veerboot steigers van Banyuwangi.
Mochten jullie hier ooit terecht komen koop dan van tevoren een paar pakjes van die kretek sigaretten, bijvoorbeeld Gunang Garam. De dragers van de zwavel vragen de sigaretten als tegenprestatie voor het nemen van foto’s. Kretek sigaretten zijn nu eenmaal heel gewild in Indonesië.
In Surabaya hadden we dus besloten om een korte zijsprong te maken naar het eiland Bali. Dit Indonesische eiland met haar bijzondere cultuur spreekt tenslotte tot ieder zijn verbeelding. De rit naar de veerboot was niet meer dan een saaie verplaatsing waarbij de vulkaan steeds op de achtergrond te zien was. Na aankomst wisselen we de laatste ervaringen uit met de Belgische jongens en zijn blij dat we eindelijk bij de poort van de ferryterminal staan.

Met vragende ogen als van een trouwe waakhond staat onze chauffeur naast zijn busje te wachten. 60.000 Rupiah fooi valt hem ten deel, we zijn het zo onderling overeen gekomen. Hij heeft goed zijn best gedaan maar de poging tot oplichting van gisteren aan de poort van de plantage heeft hem wel de helft van zijn fooi gekost. Nadat ik hem dat aan zijn verstand heb gebracht staat hij beteuterd te kijken. Ik denk dat hij die streek de volgende keer misschien niet meer uithaalt.
Alsof de fooi nog niet genoeg voor hem is gaat hij meteen aan de slag om ons in de armen van de sjacheraars te drijven die de buskaartjes naar verschillende bestemmingen op Bali verkopen. Hij zwaait met zijn armen en roept wat naar de andere kant van de straat. In een flits zijn we omringt door een groep oncontroleerbare Javanen en Balinezen die aan ons staan te plukken en te trekken als een troep leeuwen om hun net gedode buit. Een onverstaanbaar kabaal. Alleen Misterrrr, met zijn karakteristieke rollende R is te onderschijden. Als boomstammen op een kolkende rivier laten we ons in de menigte meedrijven richting de veerboten. Er wordt niet eens geluisterd naar wat we zeggen! Zo komt het dat we in een grote autobus terecht komen waar we snel en vakkundig door een van de sjacheraars in een stoel worden gedrukt.
'60.000 rupiah per persoon!', schreeuwt er één in mijn oor.
'Mag ik ook weten waarvoor?', antwoord ik hem.
'Ja, 60.000 rupiah per persoon voor de expresbus naar Denpasar!', snauwt hij.
'Dan gaan wij weer, want wij willen helemaal niet naar Denpasar!', lach ik hem toe.
En zo verlaten wij de bus weer aan de achterzijde terwijl we snel afscheid nemen van onze Belgische reisgenoten. Gevolgd door een leger van andere sjacheraars lopen we samen onder een brandende tropische zon de veerboot op.

Aan de andere kant van het water, na een korte overtocht, staat ons weer een andere verrassing te wachten. Wegens het tekort aan passagiers wordt het vertrek van de bus naar Singaraya vanaf half twee steeds met een half uur uitgesteld. Zoals door een voorbijganger voorspeld verlaat onze bus pas om vier uur het busstation naast de ferryterminal van Gilimanuk.

Onderweg wordt er ook nog eens om de honderd meter gestopt en zo komt het dat we in het donker rond half zeven bij een verkeerslicht in Lovina Beach uit de bus worden gezet. Tijdens het wegrijden van de bus roept de kaartjes verkoper ons nog wat na en wijst in de richting van een kleine zijstraat. Daar moet het dus zijn, het “Rini Hotel”.
Na een paar honderd meter door een slecht verlichte en verlaten straat staan we voor de gepantserde stalen poorten van het Rini Hotel. Het blijkt een soort resort te zijn met bungalows en een paar gebouwen van twee verdiepingen die waarschijnlijk de goedkoopste kamers bevatten. Het lijkt een vriendelijke en mooi hotel, maar de duisternis kan bedriegen. De late aankomst zal ongetwijfeld de prijzen omhoog hebben gedreven maar daar laat ik me niet door verrassen.

Een kort gesprek van slechts enkele zinnen is voldoende om een bungalow voor twee nachten te boeken. Wel eerst even gaan kijken waar we slapen voordat we betalen! Onze bungalow is ongelofelijk mooi voor de 200.000 Rupiah die ik heb afgedongen.
'Hello Johnnie', klinkt het bij terugkomst aan de receptie.
Ik kijk verbaasd om me heen en realiseer me niet meteen dat een jongen die ik drie maanden geleden in Sri Lanka heb ontmoet hier met zijn ouders voor me staat. Is dat te geloven? Drie maanden en een handvol bestemmingen later staan we weer naast elkaar in een hotel op Bali, en het is niet eens mijn plan geweest om hier naar toe te gaan! Er gebeuren onderweg nu eenmaal vreemde dingen! We spreken kort met elkaar en stelt zijn ouders voor die hem zijn komen opzoeken tijdens zijn wereldreis, morgen aan het zwembad kunnen we in alle rust bijpraten.
Na een heerlijke maaltijd en een paar flessen bier liggen we alweer voor tien uur op bed. Morgen opnieuw om half zes op om dolfijnen te gaan kijken. Daarna gaan we een heerlijke rustige dag aan het zwembad tegemoet.
Copyright/Disclaimer